Omgevingswet – voortgang en overgangsrecht

ERMELO | april 2021

De Omgevingswet: er wordt veel over gezegd en geschreven: de nieuwe wet die het hele stelsel van
omgevingsrecht gaat veranderen. De Tweede Kamer der Staten Generaal heeft de wet inmiddels in
haar totaliteit aangenomen. De Eerste Kamer heeft besloten om nog een ultiem controle-moment in
te bouwen ten aanzien van een op handen zijn evaluatie naar het Digitale Stelsel Omgevingswet: op 1
juli a.s. moet duidelijk zijn dat de kurk waar alles op drijft ook werkt. De Minister heeft aangekondigd
met diverse tijdelijke platforms te gaan werken voor als dit niet het geval is. De praktijk houdt dan ook
rekening met een daadwerkelijke invoering per 1 januari 2022.
Het overgangsrecht is van groot belang voor de praktijk. Omgevingsvergunningen welke worden
afgehandeld middels een reguliere procedure (bijvoorbeeld bouwvergunningen), moeten zijn
ingediend en ontvankelijk zijn voor 1 januari 2022 om onder het oude/huidige recht behandeld te
worden. Tot zover niets spannends, maar let dus wel op het tijdig indienen van volledige stukken.
Uitgebreide procedures (looptijd 26 weken) welke worden voorbereid middels de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht, zoals bijvoorbeeld
bestemmingsplannen, moeten voor 1 januari 2022 als ontwerpbesluit gedurende zes weken ter inzage
hebben gelegen. Dit betekent dat voor die termijn alles compleet moet zijn. U dient daarbij rekening
te houden met vergaderschema’s en het nemen van College-besluiten. Dit zal in de praktijk betekenen
dat bestemmingsplannen die na 1 september beoordeeld worden, objectieve kans hebben de
eindstreep niet te halen. Het gevolg is dat u een Omgevingsplan kunt opstellen, met alle onzekerheden,
risico’s en kosten van dien.
Veel gemeenten stellen dat zij beleidsmatig hebben besloten per 1 juli 2021 geen nieuwe of nietontvankelijke plannen in behandeling te nemen. Dit is feitelijk in strijd met het overgangsrecht.
Ondergetekende heeft hiervan nog geen college- of raadsbesluiten kunnen vinden, maar feit is dat dit
wel gesteld wordt en in praktijk gebracht zal worden.
De moraal van het verhaal: zorg dat u uw planning ten aanzien van procedures op orde hebt. Wordt
het riskant: zorg dan dat u schriftelijk vastlegt onder welk recht uw aanvraag in het najaar van 2021
wordt beoordeeld.
Omgevingswet – kostenverhaal
De meeste van u zijn bekend met het kostenverhaal van bestemmingsplannen, zoals thans geregeld in
onder meer artikel 6.24 Wro. Dit stelsel gaat op de schop. In diverse jurisprudentie
(ECLI:NL:RBNHO:2017:7279 en ECLI:NL:RVS:2019:2950) is bepaald dat pure ‘betaalplanologie’ niet
wenselijk is. In artikel 8.13 t/m 8.15 van het Omgevingsbesluit is het nieuwe kostenverhaal geregeld,
onder meer door een kostensoortenlijst op te nemen en bouwplannen als zodanig aan te wijzen. Tot
[Craeft Advies] [06-25472688] [jvijfhuizen@craeftadvies.nl] [www.craeftadvies.nl]
[Middelerf 14B, 3851 SP Ermelo] [IBAN: NL30RABO0327792779] [KvK: 70997489] [BTW-ID: NL001116187B98]
zover een redelijk bekend ‘beestje onder een andere naam’. Nieuw is echter een wat bijzondere
manoeuvre die de wetgever per januari 2021 heeft opgenomen in artikel 8.21 van het
Omgevingsbesluit, welke aansluit op artikel 13.23 en 13.24 Omgevingswet. Naast de bekende
gemengde publiek-privaatrechtelijke route voor kostenverhaal (de anterieure overeenkomst) wordt
hier een zuiver publiekrechtelijke route opengesteld voor kostenverhaal middels een ‘afdwingbare
bijdrage’, mits deze basis is opgenomen in het Omgevingsplan en het gaat om een aangewezen
activiteit. Dit kan dus leiden tot een stapeling van kosten.
De bekende anterieure overeenkomst blijft bestaan, maar de wettelijke basis voor (nog) vroegere
betalingsmomenten van plankosten en extra publiekrechtelijk kostenverhaal nemen toe. Het is dus
zaak hier op te letten bij het sluiten van anterieure contractering voor planologische activiteiten, maar
evenzo ook bij het ter inzage gaan van Omgevingsplannen waar een plan/initiatief bij aan wil haken.
Doet u dit niet tijdig, dan kunnen de kosten in bepaalde gevallen sterk oplopen.
Wijziging zienswijze – beroep bij uitgebreide procedures
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een baanbrekende uitspraak
(ECLI:NL:RVS:2021:786) gedaan in het kader van de toegankelijkheid van de bestuursrechter in
uitgebreide uniforme voorbereidingsprocedures. Denk hierbij wederom aan uitgebreide
vergunningtrajecten en bestemmingsplanwijzigingen.
Tot voor kort gold dat een ieder die beroep bij de bestuursrechter wilde indienen, ook een zienswijze
tegen het ontwerpbesluit moest hebben ingediend. Door een uitspraak van het Europese Hof van
Justitie is echter gebleken dat de bepaling uit de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6.:13 Awb, die
deze route verplicht stelt, in strijd is met het Europese recht. Kortgezegd betekent dit dat iedereen die
wel belanghebbend is maar geen zienswijze heeft ingediend, toch gegrond beroep kan indienen, mits
aan alle overige eisen wordt voldaan.
Dit een zeer verregaande uitspraak voor de dagelijkse praktijk en het betekent dan ook dat u uw
omgevingsmanagement hier op in moet richten. Het zal tevens betekenen dat burgers ten aanzien van
ontwikkelingsactiviteiten sneller, vaker en makkelijker naar de hoogste bestuursrechter zullen
stappen. U dient zich hier bij de voorbereiding, maar ook bij de planning van de uitvoering van een
project, bewust van te zijn.
Stikstof
Ook op het gebied van stikstof is het zelden stil en saai. Op 20 januari 2021 deed de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State twee belangrijke uitspraken, te weten de ‘Logtsebaan’
(ECLI:NL:RVS:2021:71) en ‘ViA15′ (ECLI:NL:RVS:2021:105).
In de uitspraak Logtsebaan heeft de Raad van State geoordeeld dat voor wijzigingen en activiteiten
met interne saldering geen vergunning nodig is. Veel provincies weigeren daarom aanvragen of sturen
brieven met het verzoek een keuze te maken in hoe u de aanvraag afgehandeld wilt zien. Deze brieven
zijn sturend en gericht op werkdruk-verlaging voor het bevoegde gezag. Deze sluiten echter niet aan
bij de daadwerkelijke bedoeling van de Raad van State. Ten eerste is het namelijk een keuze of een
vergunning wordt aangevraagd en ten tweede ligt de bewijslast, bij het niet vragen van een
vergunning, voor de duur van de activiteit volledig bij de initiatiefnemer/ondernemer. Hier zitten mijns
inziens erg veel risico’s aan, vooral omdat de uitgangspunten van deze bewijslast, bijvoorbeeld een
Aerius-berekening soms per kwartaal wijzigen en onder druk staan. Het is dan ook zeer aan te raden
een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3 Awb te eisen.
[Craeft Advies] [06-25472688] [jvijfhuizen@craeftadvies.nl] [www.craeftadvies.nl]
[Middelerf 14B, 3851 SP Ermelo]

Stad in Bedrijf magazine

Lees nu
het héle magazine!

Lees hier
Het hele Stad in Bedrijf magazine lezen